Professionele ruimte: wat is dat in de praktijk?

16 april 2019
Volgens het Professioneel Statuut heb je als mbo-docent veel ‘professionele ruimte’. Maar wat betekent dat als er tegelijkertijd sprake is van werkdruk? Dat bespraken mbo-opleiders tijdens een Onderwijscafé van de bvmbo.

In 2009 zag het Professioneel Statuut het levenslicht. In dit document is vastgelegd dat docenten en instructeurs in het mbo ruimte hebben om zichzelf te ontwikkelen en kwaliteit te kunnen leveren. De ‘professionele autonomie en verantwoordelijkheden’ van de onderwijsgevende worden hiermee erkend. Maar wat betekent dat in de praktijk? In hoeverre ervaren docenten de ruimte die zij op papier hebben? Hoe geeft het management vorm aan professionele autonomie?

Het zijn mooie vragen, die op deze zonnige namiddag in april centraal staan. Het restaurant van het Koning Willem 1 College is omgedoopt tot Onderwijscafé. Connie van Hees (KW1C) heet de aanwezige docenten welkom en licht kort toe waarom de organisatie ervoor gekozen vandaag de ‘professionele ruimte’ te belichten. ‘Het Statuut bestaat nu tien jaar, maar leeft het ook echt op de werkvloer?’, vraagt Connie zich af. Haar collega Robbert Timmer geeft een minicollege over het Professioneel Statuut en vertelt wat professionele ruimte betekent voor zijn school, het Koning Willem I College. Robbert citeert uit het Meerjarenplan, de Regeling werkoverleg en andere documenten waarin telkens verwoord staat dat teams zeggenschap hebben over de pedagogische-didactische aanpak, het onderwijskundig beleid, de uitvoering van het taakbeleid en de professionalisering van het team.

‘Maar er staat ook in het Meerjarenplan dat dit nog niet overal gebeurt’, vervolgt Robbert. ‘We kunnen veel. Maar het zijn vaak dode regels. Uit een enquête blijkt dat bij 11 van de 20 afdelingen de directie de besluiten neemt. Meer dan de helft van de teams werkt onvoldoende met de Regeling werkoverleg en de richtlijnen uit de cao. Er is ook weinig structuur in de frequentie van het overleg. Dat varieert van een wekelijks werkoverleg tot twee keer per jaar. En het vreemde is: de meeste docenten hebben daar vrede mee. Terwijl we zoveel mogelijkheden hebben om teacher-in-the-lead te worden. We hebben het hier over landelijke afspraken, die zwart op wit staan…’

Het beeld dat Robbert schetst, wordt in het tweede deel van dit Onderwijscafé bevestigd in de gesprekken in kleine groepjes. Al is de start verrassend: een docent vertelt dat hij juist alle ruimte krijgt en ook volop de tijd heeft om die ruimte te benutten. De verklaring volgt snel: de docent in kwestie is pas een maand docent op het mbo, na jarenlang gewerkt te hebben in de financiële wereld. ‘Ik kwam op het moment dat er net enkele nieuwe lesmethoden ontwikkeld werden en heb me daar meteen mee bemoeid. Mijn agenda is nog niet zo vol als die van mijn collega’s…’ Daarmee is gelijk ook de link gelegd tussen ‘ruimte’ en ‘tijd’. De werkdruk werkt als rem op het nemen van initiatief, op het benutten van de ruimte die er is. ‘Veel zaken worden toch al van bovenaf beslist. Het zijn voldongen feiten’, vertelt een van de docenten.

Op veel scholen bepaalt de teamleider nog wat de scholingsmogelijkheden zijn binnen de afdeling. De docenten willen daar met hun team beslist meer invloed op hebben. En als er dan toch een besluit van hogerhand genomen wordt, dan willen de docenten daar wel graag duiding bij: wat is de reden dat voor A gekozen is, en niet voor B? ‘Raadpleeg eerst het team en leg vooral meer uit’, onderstreept een van de docenten.’ ‘En zorg voor meer bekendheid met de regels’, vult een ander aan. ‘Zodat we sparringpartners worden, in plaats van makke schapen op weg naar de slachtbank.’ Een van de cafégangers heeft nog een mooie toevoeging: ‘We horen vaak “durf te dromen, maar…”. Ik vind dat die “maar” weggelaten moeten worden. Het nemen van initiatief moet meer omarmd worden.’ Daar moet dan natuurlijk wel tijd voor gemaakt worden, maar daarvoor heeft een van aanwezigen een goeie tip: plan als je een scholingsactiviteit wil doen de invaluren alvast in bij je collega. Dan komen die uren niet bovenop diens jaartaak, maar zijn ze er onderdeel van.

Tijdens de afsluitende ronde vertellen sommige docenten wakker geschud te zijn. ‘Ik weet nu beter wat het Professioneel Statuut is en wat je ermee kunt doen’, aldus een aanwezige. ‘Ik ga dit zeker delen met mijn collega’s.’