Kwaliteitsafspraken: regionale agenda’s voor beter mbo

28 mei 2019
Alle mbo-scholen ontvangen budget om de komende jaren het onderwijs verder te verbeteren. Dat maakte minister Van Engelshoven op 27 mei bekend. Scholen hebben in kwaliteitsagenda’s vastgelegd hoe zij die verbetering willen realiseren. Michiel Scheffer, voorzitter van de commissie die de plannen beoordeelt, en Ingrid van Engelshoven zijn positief over de agenda’s van de scholen. Een dubbelinterview.

Hoe bent u als commissie te werk gegaan?
Michiel Scheffer: ‘We zijn zeer grondig te werk gegaan, mag ik wel zeggen. Nadat de scholen hun plannen in oktober hebben ingediend, hebben we deze eerst op basis van objectieve data goed geanalyseerd. Vervolgens hebben we in duo’s alle scholen bezocht en het gesprek gevoerd met de besturen. Dat waren soms pittige, maar altijd constructieve gesprekken. We wilden een goed beeld krijgen van de manier waarop regionale bedrijven, docenten en studenten hebben meegedacht over de koers van de school. En natuurlijk hoe ze straks betrokken worden bij de uitvoering. Daarna hebben de scholen hun agenda’s waar nodig kunnen aanvullen. Sommige scholen hebben gebruik moeten maken van de officiële herkansing en zij zijn daarbij soms geholpen door andere mbo-scholen. Ook de MBO Raad heeft hier een goede verbindende rol vervuld. Ik ben blij dat we uiteindelijk alle agenda’s positief hebben kunnen beoordelen.’

Hebben alle mbo-scholen meegedaan?
Michiel Scheffer: ‘Ja, alle mbo-scholen hebben een plan ingediend. Logisch wel, als je bedenkt dat 10% van de bekostiging via deze kwaliteitsafspraken loopt. Over vier jaar gaat het om een totaalbedrag van ruim 1,6 miljard euro. Er stond dus wat op het spel. Voor scholen is het heel belangrijk geweest dat ze zelf alle ruimte hadden om de inhoud van de agenda te bepalen. Die ruimte was een nadrukkelijke wens van de scholen.’

Wat valt op aan de plannen?
Michiel Scheffer: ‘Het zijn echt regionale agenda’s. Scholen hebben nauw samengewerkt met partners in de regio. In de eerste plaats natuurlijk met de bedrijven, maar ook met vertegenwoordigers van gemeenten en andere onderwijsinstellingen in het vo en het mbo. Je ziet de specifieke kansen en bedreigingen in de regio of het werkgebied ook echt goed terug in de ambities van de scholen. Goede regionale samenwerking is cruciaal om het onderwijs te verbeteren. De arbeidsmarkt verandert snel en het onderwijs moet in staat zijn om snel mee te bewegen. In de plannen zien we allerlei mooie voorbeelden van steeds nauwere samenwerking tussen school en bedrijf’.

Kunt u daar een voorbeeld van geven?
Michiel Scheffer: ‘Laat ik er eentje noemen. Toen we op bezoek waren bij MBO Westland was ik echt onder de indruk van de manier waarop zij met bedrijven in de (glas)tuinbouw samenwerken in het World Horti Center. Studenten uit het vmbo, mbo en hbo hebben hier uitstekende faciliteiten tot hun beschikking en de (glas)tuinbouw profiteert daar uiteindelijk ook van. En let op, dit is niet alleen een “groen feestje”. Naast Lentiz zijn ook het Albeda College en ROC Mondriaan betrokken in deze school. En zo zijn we het afgelopen half jaar veel van deze unieke samenwerkingsrelaties tegengekomen’.

Is de minister ook tevreden?
Ingrid van Engelshoven: ‘Zeker! Vorig jaar hebben we in het bestuursakkoord met de MBO Raad afgesproken dat scholen de ruimte krijgen om zelf samen met partners in de regio tot plannen te komen. Dat is een belangrijke vernieuwing. Ik zie tot mijn vreugd dat scholen goed gebruik hebben gemaakt van deze ruimte. De kwaliteitsagenda’s zijn echt regionale agenda’s voor verbetering van het beroepsonderwijs geworden.’

Waarom vindt u die regionale samenwerking zo belangrijk?
Ingrid van Engelshoven: ‘Innovaties in het regionale bedrijfsleven en veranderingen op de arbeidsmarkt hebben vaak forse gevolgen voor het opleiden, zowel voor studenten als voor werkenden. Al dit soort ontwikkelingen in het werkgebied van scholen kunnen alleen maar een succes worden, als scholen snel en wendbaar kunnen reageren op de dynamiek van de arbeidsmarkt. Het mbo zie ik als een belangrijke motor van innovaties in het bedrijfsleven en van een leven lang ontwikkelen. Ik verwacht dat de afspraken die ik hierover nu maak met mbo-scholen hier een belangrijke steun voor zullen zijn.’

De agenda’s hebben een looptijd tot 2023. Wat gaat er de komende tijd gebeuren?
Ingrid van Engelshoven: ‘Nu de agenda’s er liggen, gaat alle aandacht uit naar de uitvoering en het daadwerkelijk behalen van de ambities. Dat wordt ook onafhankelijk beoordeeld door de commissie Scheffer. We hebben bewust gekozen voor maar twee formele beoordelingsmomenten. In 2021 zal de commissie de voortgang van iedere instelling beoordelen en mij hierover adviseren. De scholen zijn dan twee jaar onderweg. Met de scholen is afgesproken dat zij in hun reguliere jaarverslag rapporteren over de voortgang van de plannen. Zodat alle energie kan gaan naar de uitvoering van de plannen. In 2023 doet de commissie de eindbeoordeling’

Waarom beoordeelt de commissie de voortgang?
Ingrid van Engelshoven: ‘Deze afspraken zijn niet vrijblijvend. Driekwart van het budget is nu beschikbaar voor scholen om de plannen uit te voeren. Scholen die daadwerkelijk erin slagen hun ambities te realiseren hebben recht op het resterende, resultaatafhankelijke deel van het kwaliteitsbudget. Daarvoor zijn de tussenrapportage in 2021 en de eindrapportage in 2023 de ijkmomenten.’

Wat gaat de commissie de komende tijd doen?
Michiel Scheffer: ‘Onze ambitie is om de scholen gedurende de looptijd van de agenda’s te blijven volgen en waar nodig te ondersteunen. Na de zomer presenteren we in een sectorbeeld de belangrijkste rode draden in de agenda’s en zullen we komen tot een advies aan zowel de minister als de gezamenlijke mbo-scholen. Waar kennisuitwisseling of gezamenlijke ontwikkeling door mbo-scholen noodzakelijk is, kan de commissie de komende tijd soms ook ondersteunen. Maar we worden geen adviseur van individuele scholen. Dat zou botsen met onze rol in de beoordeling van de voortgang.’

Hoe gaat de beoordeling in 2021 en 2023 plaatsvinden?
Michiel Scheffer: ‘Ook dat zullen we weer grondig doen. We zullen de resultaten naast de agenda’s leggen en het gesprek hierover voeren met de scholen. Het wordt geen rekenkundige beoordeling met een reeks kruisjes en vinkjes. Daar leent onderwijs zich niet voor. Scholen kunnen bijvoorbeeld te maken krijgen met allerlei ontwikkelingen waarop ze geen invloed hebben. Maar we zullen ook kritisch zijn. De kwaliteitsagenda’s zijn geen inspanningsverplichting maar een belofte om maatschappelijke effecten te bereiken. “The proof of the pudding is in the eating”. Scholen moeten dan ook deze effecten in beeld brengen. Dat hoort ook bij je publieke opdracht.’

Tot slot, wanneer bent u tevreden?
Ingrid van Engelshoven: ‘Ik vind het vooral van belang dat studenten concreet de effecten gaan merken van de extra investeringen. Bijvoorbeeld doordat ze tijdens de opleiding beter worden voorbereid op een stage. Of doordat studenten soepel kunnen doorstromen naar een vervolgopleiding of baan die past bij hun talenten. Uiteindelijk gaat het om hun toekomst.’