‘Doorstroomfunctie economische opleidingen moet beter’

07 januari 2020
Veel jongeren die kiezen voor een economisch-administratieve mbo-opleiding doen dit om later te kunnen doorstromen naar het hbo. Om deze doorstroomfunctie te verbeteren, moeten de economische opleidingen zich verbreden en meer aandacht besteden aan de overstap naar het hbo.

Dat stelt de Commissie Macrodoelmatigheid MBO (CMMBO) in een advies over het profiel van mbo-studenten van economisch-administratieve opleidingen. De sector economie trekt van oudsher grote aantallen studenten, maar kampt ook met relatief hoge uitvalcijfers. Een groot percentage van deze studenten heeft een minder gunstige startpositie. De opleidingen hebben alleen daarom al een belangrijke emancipatiefunctie.

Uit het advies – opgesteld op verzoek van minister Van Engelshoven – blijkt dat een meerderheid van de studenten de opleiding in het economisch-administratieve domein niet kiest als voorbereiding op een specifiek beroep, maar om later te kunnen doorstromen naar het hbo. Deze wens verhoudt zich volgens de commissie niet goed met de opzet van het curriculum. De opleidingen gaan uit van een beroepskeuze op zeer jonge leeftijd. De commissie spreekt van een ‘keurslijf’: als er sprake is van doorstroom, moet die in een verwante opleiding plaatsvinden.

Om de kansengelijkheid van deze jongeren te bevorderen moet de doorstroomfunctie van de economisch-administratieve opleidingen versterkt worden, zo meent de commissie. Concreet stelt de commissie voor dat de economische opleidingen een bredere oriëntatie op de arbeidsmarkt bieden en zich minder concentreren op een specifiek beroep. Bij de start in het mbo moet er ruimte zijn voor interdisciplinaire oriëntatie op de economisch-administratieve én aanpalende werkvelden. Al bij aanvang van de mbo-opleiding moet bovendien gestart worden met de ontwikkeling van kennis en vaardigheden die nodig zijn om succesvol door te stromen naar een hoger niveau binnen of buiten het economisch-administratief domein. Ook moeten hbo-opleidingen aansprekender ingericht worden voor de meer praktijkgerichte mbo’er.

In haar beleidsreactie betoogt minister Van Engelshoven dat zij al veel doet om de mbo-opleidingen meer flexibel te maken. Zij wijst daarbij onder andere op het wetsvoorstel Doorlopende leerroutes vmbo-mbo en de regelingen voor een betere doorstroom tussen mbo en hbo. Bovendien kunnen veel van de adviezen die de commissie geeft nu al door scholen worden opgevolgd. ‘Ik denk dat het stelsel al veel ruimte biedt’, zo schrijft de minister aan de Tweede Kamer. Wel is zij bereid om de MBO Brigade te vragen aandacht te besteden aan mogelijke belemmeringen voor betere doorstroomprogramma’s.

Lees hier het advies ‘Profiel van mbo-studenten van economisch-administratieve beroepsopleidingen’. Later dit jaar volgt deel 2 van het advies met aanbevelingen voor het versterken van het arbeidsmarktperspectief voor de studenten die niet doorstromen naar hogere niveaus.